Jechizkia

afbreking: Je·chiz·kia [ ? ]
  [uitspraak: Jəchizkia] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'moge de Heer krachtig maken';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Achaz-1 van Juda-4; andere namen: Hizkia, Chizkiahu, Jechizkiahu-1 (Hos. 1:1, Mi. 1:1);
  2. leider van het volk die met Zerubbabel terugkeert uit de ballingschap in Babel-2; verbindt zich om de Tora te onderhouden; andere naam: Hizkia-3 (Ezra 2:16)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jechizkia, Hizkia [ ? ]
zie ook: Chizkia, Chizkiahoe, Jechizkiahoe  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-