Jedidja

Jedidja (1)

afbreking: Je·did·ja [ ? ]
  [uitspraak: Jədidja] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'lieveling van de Heer' (zie 2 Sam. 12:25);  

  naam die de Heer via de profeet Natan-2 geeft aan Salomo-1 (2 Sam. 12:25) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jedidja(2) [ ? ]

Jedidja (2)

afbreking: Je·did·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'lieveling van de Heer' (zie 2 Sam. 12:25);  

  naam die de Heer via de profeet Natan(2)-2 geeft aan Salomo-1 (2 Sam. 12:25) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jedidja [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-