Jefet

afbreking: Je·fet [ ? ]
  [uitspraak: Jèfet] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(de Heer) make ruimte';  

  een van de drie zonen van Noach-1, vader van Gomer, Magog-1, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras, stamvader van verschillende volken in en om Klein-Azië (11x: Gen. 5:32 +, 1 Kron. 1:4 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jafet [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-