Jehoas, Joas

afbreking: Je·ho·as, Jo·as [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer heeft geschonken';  

 
  1. zoon van koning Achazja(2) van Juda-4; andere naam: Joas(2)-3 (8x: 2 Kon. 12:1 +);
  2. zoon en opvolger van koning Joachaz(2)-1 van Israël-4; andere naam: Joas(2)-4 (9x: 2 Kon. 13:10 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jehoasj [ ? ]
spelling: 'Jehoas' wordt in de meeste vertalingen 'Joas(2)'  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-