Jehochanan

afbreking: Je·ho·cha·nan [ ? ]
  [uitspraak: Jəhochanan] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is genadig (geweest)';  

 
  1. (klein)zoon van de hogepriester Eljasib-1; bij hem trekt Ezra-1 zich een nacht terug; andere naam: Jochanan-3; mogelijk identiek met Jonatan-6 (Ezra 10:6);
  2. zoon van Bebai, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:28);
  3. zoon van Tobia-3, getrouwd met de dochter van Mesullam-5 (Neh. 6:18);
  4. hoofd van de priesterlijke familie Amarja (Neh. 12:13);
  5. lid van een koor dat de stadsmuur van Jeruzalem-1 inwijdt (Neh. 12:42);
  6. poortwachter bij de tempel, zesde zoon van Meselemja (1 Kron. 26:3);
  7. bevelhebber bij koning Jehosafat-3 van Juda-4 (2 Kron. 17:15);
  8. vader van Jismaël (2 Kron. 23:1);
  9. afstammeling van Efraïm-1, vader van Azarjahu-10 (2 Kron. 28:12)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jehochanan, Jochanan [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-