Jehojachien

afbreking: Je·ho·ja·chien [ ? ]
  [uitspraak: Jəhojachien] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer heeft gevestigd';  

  zoon en opvolger van koning Jojakim van Juda-4; wordt weggevoerd naar Babel-2; andere namen: Jojachin, Jechonja, Jechonjahu, Konjahu (10x: 2 Kon. 24:6 +, Jer. 52:31, 2 Kron. 36:8 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jehojachin, Jojachin [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-