Jehojada, Jojada

afbreking: Je·ho·ja·da, Jo·ja·da [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer weet/kent';  

 
  1. vader van Benaja(2)-1, die hoort tot de helden van David-1 (21x: 2 Sam. 8:18 +, 1 Kon. 1:8 +, 1 Kron. 11:22 +);
  2. hogepriester in de tijd van koningin Atalja(2)-1 en koning Joas(2)-3 van Juda-4 (28x: 2 Kon. 11:4 +, 2 Kron. 22:11 +);
  3. priester in de tijd van de profeet Jeremia-1 (Jer. 29:26);
  4. zoon van Benajahu-6, raadsman van David-1 (1 Kron. 27:34)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jehojada [ ? ]
spelling: 'Jehojada' wordt in de meeste vertalingen 'Jojada(2)'  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-