Jehoram, Joram

afbreking: Je·ho·ram, Jo·ram [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is verheven';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Jehosafat-3 van Juda-4; andere naam: Joram(2)-2 (12x: 1 Kon. 22:51, 2 Kon. 1:17 +, 2 Kron. 21:1 +);
  2. zoon en tweede opvolger van koning Achab-1 van Israël-4, na zijn broer Achazja(2)-1; andere naam: Joram(2)-3 (16x: 2 Kon. 1:17 +, 2 Kron. 22:5 +);
  3. priester in de tijd van koning Jehosafat-3 van Juda-4 (2 Kron. 17:8)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jehoram [ ? ]
spelling: 'Jehoram' wordt in de meeste vertalingen 'Joram(2)'  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-