Jehu

afbreking: Je·hu [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is hij';  

 
  1. zoon van Chanani, profeet die optreedt tegen koning Basa van Israël-4 (5x: 1 Kon. 16:1 +, 2 Kron. 19:2 +);
  2. zoon van Nimsi (volgens 2 Kon. 9:2, 9:14 kleinzoon van hem); wordt koning van Israël-4, doodt het huis van Achab-1 en de Baälspriesters (48x: 1 Kon. 19:16 +, 2 Kon. 9:2 +, Hos. 1:4, 2 Kron. 22:7 +);
  3. afstammeling van Juda-1, zoon van Obed-2, vader van Azarja(2)-12 (1 Kron. 2:38);
  4. afstammeling van Simeon-1, zoon van Josibja (1 Kron. 4:35);
  5. afstammeling van Benjamin-1 uit Anatot(2)-1; sluit zich in Siklag aan bij David-1 (1 Kron. 12:3)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jehoe [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-