Jeïeel

afbreking: Je·ï·eel [ ? ]
  [uitspraak: Jəïeel] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. zoon van Adonikam; keert met Ezra-1 terug uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 8:13);
  2. zoon ofwel inwoner van Nebo-3, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:43);
  3. afstammeling van Ruben-1, nakomeling van Joël-6 (1 Kron. 5:7);
  4. vader van de plaats Gibeon, man van Maächa-9, voorvader van Saul-1 (1 Kron. 9:35);
  5. zoon van Chotam, een van de helden van David-1 (1 Kron. 11:44);
  6. Leviet-2, poortwachter, bespeler van een snaarinstrument bij de komst van de verbondsark in Jeruzalem-1 (1 Kron. 15:18, 15:21, 16:5);
  7. Leviet-2, nakomeling van Asaf-2, vader van Benaja-9, voorvader van Jachaziël (2 Kron. 20:14);
  8. functionaris in de tijd van koning Uzzia-1 van Juda-4 (2 Kron. 26:11);
  9. zoon van Elisafan, Leviet-2 in de tijd van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 29:13);
  10. een van de leiders van de Levieten-2 in de tijd van koning Josia van Juda-4 (2 Kron. 35:9)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jeïël [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-