Jesajahu, Jesaja

afbreking: Je·sa·ja·hu, Je·sa·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'redding/heil is de Heer';  

 
  1. zoon van Amos(3)-1, profeet in het zuidrijk Juda-4 in de tijd van de koningen Uzzia-1, Jotam(2)-2, Achaz(2)-1 en Hizkia van Juda-4; zijn woorden staan in een naar hem genoemd Bijbelboek (32x: 2 Kon. 19:2 +, Jes. 1:1 +, 2 Kron. 26:22 +; ook 22x in NT);
  2. zoon van Jedutun, zanger, hoofd van de achtste zangersgroep bij de tempel (1 Kron. 25:3, 25:15);
  3. zoon van Rechabja, vader van Joram(2)-4, Leviet-2 (1 Kron. 26:25);
  4. een van de drie grote profetische boeken van het OT
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jesjajahoe [ ? ]
spelling: 'Jesajahu' wordt in de meeste vertalingen 'Jesaja'  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-