jesjkouch

afbreking: jesj·kouch [ ? ]
herkomst: Jiddisj [ ? ]

 
  1. moge het u goed gaan!, dank u wel!;
  2. goed gedaan!, petje af!
[ ? ]

zie ook: sjkouch  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-