Jiddisj, Jiddisch

Jiddisj, Jiddisch (1)

afbreking: Jid·disj, Jid·disch [ ? ]
  [uitspraak: Jiddiesj, Jiddies] [ ? ]
lidwoord: het  
herkomst: Jiddisj [ ? ]
letterlijk: 'joods';  

  taal van Asjkenazische joden die omstreeks 1000 in de Rijnstreek is ontstaan, zich vandaar over de hele wereld heeft verspreid en voor de Tweede Wereldoorlog door ruim tien miljoen joden werd gesproken; gebaseerd op Duitse dialecten, met Romaanse invloeden en veel Hebreeuwse en Aramese elementen; geschreven met Hebreeuwse letters [ ? ]

spelling: 'Jiddisj, Jiddisch' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

Jiddisj, Jiddisch (2)

afbreking: Jid·disj, Jid·disch [ ? ]
  [uitspraak: Jiddiesj, Jiddies] [ ? ]
vorm op -e: Jid·di·sje, Jid·di·sche
[uitspraak: Jiddiesjə, Jiddiesə]
 
herkomst: Jiddisj [ ? ]
letterlijk: 'joods';  

  van of in de Jiddisje taal (Jiddisj, Jiddisch) [ ? ]

spelling: 'Jiddisj, Jiddisch' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-