Jirmejahu, Jeremia, Jirmeja

afbreking: Jir·me·ja·hu, Je·re·mia, Jir·me·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van Chilkiahu-3, uit Anatot(2)-1 in het gebied van Benjamin-3, profeet in het zuidrijk Juda-4; zijn woorden staan in het Bijbelboek Jeremia en volgens de titel in het Bijbelboek Klaagliederen van Jeremia; andere naam: Jeremia-1 (123x: Jer. 1:1 +, 2 Kron. 35:25);
  2. vader van Chamutal, grootvader van koning Joachaz(2)-3 van Juda-4 (2 Kon. 23:31, 24:18, Jer. 52:1);
  3. zoon van Chabassinja, vader van Jaäzanja, die hoort tot de Rechabieten (Jer. 35:3;
  4. afstammeling van Gad-1; sluit zich in Siklag aan bij David-1 (1 Kron. 12:14);
  5. een van de drie grote profetische boeken van het OT
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jirmejahoe [ ? ]
spelling: 'Jirmejahu' wordt in vertalingen vaak 'Jeremia' bij nr. 1 en 5, en 'Jirmeja' bij nr. 2-4  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-