Jisjai

afbreking: Ji·sjai [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  kleinzoon van Ruth-1 en Boaz-2, zoon van Obed-1, vader van onder anderen David-1 (41x: 1 Sam. 16:1 +, 2 Sam. 20:1 +, 1 Kon. 12:16, Jes. 11:1 +, Ps. 72:20, Rt. 4:17 +, 1 Kron. 2:12 +, 2 Kron. 10:16 +; Griekse vorm 5x in NT) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Isaï [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-