Jitro

afbreking: Ji·tro [ ? ]
  [uitspraak: Jietro] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. inwoner van Midjan, priester, vader van Sippora, de vrouw van Mozes-1; andere namen: Jeter, Reüel-2 (9x: Ex. 3:1 +);
  2. tweede woord, tevens naam van de perikoop Sjemot 18:1-20:23
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jetro [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-