Jitschak

afbreking: Jits·chak [ ? ]
  [uitspraak: Jietschak] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 17:17 en 18:12-13 verband met 'lachen';  

 
  1. tweede van de drie aartsvaders, enige zoon van Abraham-1 en Sara-1, man van Rebekka-1, vader van Esau-1 en Jakob-1; begraven in de grot van Machpela (112x: Gen. 17:19 +, Ex. 2:24 +, Lev. 26:42, Num. 32:11, Deut. 1:8 +, Joz. 24:3 +, 1 Kon. 18:36, 2 Kon. 13:23, Jer. 33:26, Am. 7:9 +, Ps. 105:9, 1 Kron. 1:28 +, 2 Kron. 30:6; Griekse vorm 20x in NT);
  2. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Isaak [ ? ]
zie ook: akedat Jitschak, Pachad Jitschak  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-