Jizreël

Jizreël (1)

afbreking: Jiz·re·ël [ ? ]
  [uitspraak: Jiezrəèl] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'God moge zaaien, vruchtbaar maken';  

 
  1. plaats in het berggebied van Juda-3 (Joz. 15:56, 1 Sam. 25:43);
  2. plaats in het gebied van Issachar-3, ten oosten van Megiddo-1 (29x: Joz. 17:16 +, 1 Sam. 25:43 +, 2 Sam. 2:9 +, 1 Kon. 4:12 +, 2 Kon. 8:29 +, Hos. 1:4 +);
  3. zoon van Hosea-3 en Gomer, broer van Lo-Ruchama en Lo-Ammi (Hos 1:4);
  4. afstammeling van Juda-1, zoon van Etam (1 Kron. 4:3)
[ ? ]

  Jizreël  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jizreël(2) [ ? ]
zie ook: Emek Jizreël  

Jizreël (2)

afbreking: Jiz·re·ël [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'God moge zaaien, vruchtbaar maken';  

 
  1. plaats in het berggebied van Juda-3 (Joz. 15:56, 1 Sam. 25:43);
  2. plaats in het gebied van Issachar-3, ten oosten van Megiddo-1 (29x: Joz. 17:16 +, 1 Sam. 25:43 +, 2 Sam. 2:9 +, 1 Kon. 4:12 +, 2 Kon. 8:29 +, Hos. 1:4 +);
  3. zoon van Hosea-3 en Gomer, broer van Lo-Ruchama en Lo-Ammi (Hos 1:4);
  4. afstammeling van Juda-1, zoon van Etam (1 Kron. 4:3)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jizreël [ ? ]
zie ook: vlakte van Jizreël  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-