Joab

afbreking: Jo·ab [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is vader';  

 
  1. zoon van Seruja, de halfzuster van David-1, bevelhebber van het leger van David-1; doodt Absalom-1, de opstandige zoon van David-1; wordt op last van Salomo-1 gedood door Benaja(2)-1 (141x: 1 Sam. 26:6, 2 Sam. 2:13 +, 1 Kon. 1:7 +, Ps. 60:2, 1 Kron. 2:16 +);
  2. een of twee van degenen die terugkeren uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 2:6, 8:9, Neh. 7:11);
  3. afstammeling van Juda-1, zoon van Seraja (1 Kron. 4:14)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Joav [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-