Joël

afbreking: Jo·ël [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is God';  

 
  1. oudste zoon van Samuel-1, vader van Heman(2)-3 (1 Sam. 8:2, 1 Kron. 6:18, 15:17);
  2. zoon van Petuel, profeet wiens woorden staan in een naar hem genoemd Bijbelboek (Joël 1:1);
  3. zoon ofwel inwoner van Nebo-3, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:43);
  4. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Zichri(2)-2; vestigt zich in Jeruzalem-1 (Neh. 11:9);
  5. afstammeling van Simeon-1 (1 Kron. 4:35);
  6. afstammeling van Ruben-1, vader van Semaja-17 en/of Sema-3 (1 Kron. 5:4, 5:8);
  7. afstammeling van Gad-1, wonend in Basan (1 Kron. 5:12);
  8. Leviet-2, zoon van Azarja(2)-15, vader van Elkana(2)-2 (1 Kron. 6:21);
  9. afstammeling van Issachar-1, zoon van Jizrachja (1 Kron. 7:3);
  10. een van de helden van David-1, broer van Natan(2)-8 (1 Kron. 11:38);
  11. Leviet-2 in de tijd van David-1, zoon van Gerson (4x: 1 Kron. 15:7 +);
  12. afstammeling van Manasse, zoon van Pedaja (1 Kron. 27:20);
  13. zoon van Azarjahu-11, Leviet-2 in de tijd van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 29:12);
  14. een van de kleinere profetische boeken van het OT;
  15. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Joël, Joëel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-