Jojada

Jojada (1)

afbreking: Jo·ja·da [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer weet/kent';  

 
  1. zoon van Paseach; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:6);
  2. zoon van de hogepriester Eljasib-5, vader van Jonatan-6, Leviet-2 (4x: Neh. 12:10 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jojada(2) [ ? ]
zie ook: Jehojada  

Jojada (2)

afbreking: Jo·ja·da [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer weet/kent';  

 
  1. zoon van Paseach; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:6);
  2. zoon van de hogepriester Eljasib-5, vader van Jonatan(2)-6, Leviet-2 (4x: Neh. 12:10 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jojada [ ? ]
zie ook: Jehojada, Jojada  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-