joveel

afbreking: jo·veel [ ? ]
lidwoord: het  
meervoud: jo·ve·lot  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. jubeljaar;
  2. jubileum
[ ? ]

zie ook: sjemita  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-