Kaïn

afbreking: Ka·ïn [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 4:1 verband met 'verwerven';  

 
  1. oudste zoon van Adam(2)-1 en Eva-1; doodt zijn broer Abel-1, woont daarna in het land Nod; stamvader van de Kenieten (18x: Gen. 4:1 +, Num. 14:22, Recht. 4:11; ook 3x in NT);
  2. plaats in het gebied van Juda-3, dicht bij Hebron-1 (Joz. 15:57)
[ ? ]

  Kaïn  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Kajin [ ? ]
zie ook: Keniet, Tubal-Kaïn  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-