Kaleb

afbreking: Ka·leb [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'hond';  

  zoon van Jefunne-1, evenals Jozua-1 een van de twaalf verkenners van het land Kanaän-2; krijgt het gebied van Hebron-1 (36x: Num. 13:6 +, Deut. 1:36, Joz. 14:6 +, Recht. 1:12 +, 1 Sam. 30:14, 1 Kron. 2:48 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Kaleev [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-