Kana

Kana (1)

afbreking: Ka·na [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'rietstengel';  

 
  1. stroom tussen de gebieden van Efraïm-3 en Manasse (Joz. 16:8, 17:9);
  2. plaats in het gebied van Aser-3 (Joz. 19:28);
  3. plaats in Galilea, ten noorden van Nazaret, waar Jezus een bruiloft bijwoonde (4x: Joh. 2:1 +)
[ ? ]

  Kana  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Kana(2) [ ? ]

Kana (2)

afbreking: Ka·na [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'rietstengel';  

 
  1. stroom tussen de gebieden van Efraïm-3 en Manasse (Joz. 16:8, 17:9);
  2. plaats in het gebied van Aser-3 (Joz. 19:28);
  3. plaats in Galilea, ten noorden van Nazaret, waar Jezus een bruiloft bijwoonde (4x: Joh. 2:1 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Kana [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-