kapoeres, kapoere, kapore

afbreking: ka·poe·res, ka·poe·re, ka·po·re [ ? ]
herkomst: Bargoens [ ? ]

 
  1. verloren, weg, dood;
  2. kapot
[ ? ]

verwant: Hebreeuws: kapara;
Jiddisj: kapore
[ ? ]
spelling: 'kapoeres, kapoere, kapore' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-