kasjeer

afbreking: ka·sjeer [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'geschikt';  

  ritueel geoorloofd, volgens joodse spijswetten bereid [ ? ]

verwant: Jiddisj: koosjer, kousjer [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-