Kedar

Kedar (1)

afbreking: Ke·dar [ ? ]
  [uitspraak: Keedar] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'donker';  

  tweede van de twaalf zonen van Ismaël-1, stamvader van een Arabisch volk (12x: Gen. 25:13, Jes. 21:16 +, Jer. 2:10 +, Ez. 27:21, Ps. 120:5, Hoogl. 1:5, 1 Kron. 1:29) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Kedar(2) [ ? ]

Kedar (2)

afbreking: Ke·dar [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'donker';  

  tweede van de twaalf zonen van Ismaël-1, stamvader van een Arabisch volk (12x: Gen. 25:13, Jes. 21:16 +, Jer. 2:10 +, Ez. 27:21, Ps. 120:5, Hoogl. 1:5, 1 Kron. 1:29) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Kedar [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-