Kenaän

afbreking: Ke·na·än [ ? ]
  [uitspraak: Kənaän] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. kleinzoon van Noach-1, vierde zoon van Cham-1, stamvader van verschillende volken (9x: Gen. 9:18 +, 1 Kron. 1:18 +);
  2. land tussen Jordaan en Middellandse Zee dat de Heer aan Abraham-1 en zijn nakomelingen in het vooruitzicht stelt (84x: Gen. 11:31 +, Ex. 6:4 +, Lev. 14:34 +, Num. 13:2 +, Deut. 32:49 +, Joz. 5:12 +, Recht. 3:1 +, Jes. 19:18 +, Ez. 16:29 +, Hos. 12:8, Sef. 1:11 +, Ps. 105:11 +, Kron. 16:18; Griekse vorm 2x in NT)
[ ? ]

  Kenaän  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Kanaän [ ? ]
zie ook: Kenaäniet  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-