kislev

afbreking: kis·lev, kis·lev [ ? ]
  [uitspraak: kiesleev, kieslev] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  negende maand van het joodse jaar, in november-december (Zach. 7:1, Neh. 1:1); derde maand bij telling vanaf Rosj Hasjana [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): kislew [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-