Kitiër

afbreking: Ki·ti·ër [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  nakomeling van Jawan, aanvankelijk: bewoner van Cyprus, later uitgebreid tot: lid van de zeevarende volken aan de kusten van de Middellandse Zee (8x: Gen. 10:4, Num. 24:24, Jes. 23:1 +, Jer. 2:10, Ez. 27:6, Dan. 11:30, 1 Kron. 1:7) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Kittiër [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-