koegel, koggel

afbreking: koe·gel, kog·gel [ ? ]
  [uitspraak: koeğəl, koğğəl] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: koe·gels, kog·gels
[uitspraak: koeğəls, koğğəls]
 
herkomst: Jiddisj [ ? ]

  bepaald gebak van zoet gebakken of gekookt deeg, meestal met bovenop peren of appels [ ? ]

verwant: Jiddisj ook: kigel [ ? ]
spelling: 'koegel, koggel' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-