Korach

afbreking: Ko·rach [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'kale';  

 
  1. derde van de drie zonen van Esau-1 en Oholibama (4x: Gen. 36:5 +, 1 Kron. 1:35);
  2. kleinzoon van Esau-1, zoon van Elifaz-1 (Gen. 36:16);
  3. Leviet-2, zoon van Jishar, vader van Assir, Elkana-1 en Abiasaf; stamvader van de Korachieten-1; wordt genoemd in het opschrift van elf psalmen; komt in opstand tegen Mozes-1 en Aäron-1 (31x: Ex. 6:21 +, Num. 16:1 +, Ps. 42:1 +, 1 Kron. 6:7 +);
  4. afstammeling van Juda-1, nakomeling van Kaleb, zoon ofwel inwoner Hebron-1
[ ? ]

zie ook: Korachiet, Korchiet  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-