Kusiet

afbreking: Ku·siet [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: Ku·sie·ten  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: afleiding van 'Koesj/Kus';  

 
  1. inwoner van het land bij de Nijl ten zuiden van Egypte; in vertalingen ook: Nubiër, Ethiopiër (22x: 2 Sam. 18:21 +, Jer. 13:23 +, Am. 9:7, Sef. 2:12, Dan. 11:43, 2 Kron. 12:3, +);
  2. vader van Selemja (Jer. 36:14);
  3. zoon van Gedalja(2)-2, vader van de profeet Sefanja-2 (Sef. 1:1)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Koesjiet [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-