Lamech

afbreking: La·mech [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van Metusaël, man van Ada(2)-1 en Silla (5x: Gen. 4:18 +);
  2. zoon van Metuselach, vader van Noach-1 (6x: Gen. 5:25 +, 1 Kron. 1:3)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Lemech [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-