Lea

Lea (1)

afbreking: Lea [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'koe';  

 
  1. dochter van Laban, oudere zus van Rachel-1, vrouw van Jakob-1, moeder van Ruben-1, Simeon-1, Levi-1, Juda-1, Issachar-1 en Zebulon-1, de eerste, tweede, derde, vierde, negende en tiende zoon van Jakob-1; begraven in de grot van Machpela (34x: Gen. 29:16 +, Rt. 4:11);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Lea(2) [ ? ]

Lea (2)

afbreking: Lea [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'koe';  

 
  1. dochter van Laban, oudere zus van Rachel-1, vrouw van Jakob-1, moeder van Ruben-1, Simeon-1, Levi-1, Juda-1, Issachar-1 en Zebulon-1, de eerste, tweede, derde, vierde, negende en tiende zoon van Jakob-1; begraven in de grot van Machpela(2) (34x: Gen. 29:16 +, Rt. 4:11);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Lea [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-