lefgozer

afbreking: lef·go·zer [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: lef·go·zers  
herkomst: Bargoens [ ? ]

  brutaal persoon, opschepper [ ? ]

zie ook: gozer  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-