Maächa

Maächa (1)

afbreking: Ma·ä·cha [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. zoon van Nachor-2 en Reüma, stamvader van de Maächatieten (Gen. 22:24);
  2. gebied van de Maächatieten, ten zuidwesten van de Hermon; andere naam: Maächat (3x: 2 Sam. 10:6, 10:8, 1 Kron. 19:7);
  3. dochter van koning Talmai van Gesur, vrouw van David-1, moeder van Absalom-1 en Tamar-2 (2 Sam. 3:3, 1 Kron. 3:2);
  4. vader van Achis, koning van Gat-1; andere naam: Maoch (1 Kon. 2:39);
  5. dochter van Absalom-2 of Uriël-3, vrouw van koning Rechabeam van Juda-4, moeder van onder anderen koning Abia-5 van Juda-4; andere naam: Michajahu-1 (4x: 1 Kon. 15:2, 2 Kron. 11:20 +);
  6. dochter van Abisalom, (groot)moeder van koning Asa-1 van Juda-4 (1 Kon. 15:10, 15:13, 2 Kron. 15:16);
  7. bijvrouw van Kaleb, moeder van Seber, Tirchana en Saäf (1 Kron. 2:48);
  8. zuster en/of vrouw van Manasses zoon Machir-1, moeder van Peres (1 Kron. 7:15, 7:16);
  9. vrouw van Jeïël-4 (1 Kron. 8:29, 9:35);
  10. vader van Chanan (1 Kron. 11:43);
  11. afstammeling van Simeon-1, vader van Sefatja (1 Kron. 27:16)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Maächa(2) [ ? ]

Maächa (2)

afbreking: Ma·ä·cha [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van Nachor(2)-2 en Reüma, stamvader van de Maächatieten (Gen. 22:24);
  2. gebied van de Maächatieten, ten zuidwesten van de Hermon; andere naam: Maächat(2) (3x: 2 Sam. 10:6, 10:8, 1 Kron. 19:7);
  3. dochter van koning Talmai van Gesur, vrouw van David-1, moeder van Absalom-1 en Tamar(2)-2 (2 Sam. 3:3, 1 Kron. 3:2);
  4. vader van Achis, koning van Gat-1; andere naam: Maoch(2) (1 Kon. 2:39);
  5. dochter van Absalom-2 of Uriël-3, vrouw van koning Rechabeam van Juda-4, moeder van onder anderen koning Abia-5 van Juda-4; andere naam: Michajahu-1 (4x: 1 Kon. 15:2, 2 Kron. 11:20 +);
  6. dochter van Abisalom, (groot)moeder van koning Asa(2)-1 van Juda-4 (1 Kon. 15:10, 15:13, 2 Kron. 15:16);
  7. bijvrouw van Kaleb, moeder van Seber, Tirchana en Saäf (1 Kron. 2:48);
  8. zuster en/of vrouw van Manasses zoon Machir-1, moeder van Peres (1 Kron. 7:15, 7:16);
  9. vrouw van Jeïël-4 (1 Kron. 8:29, 9:35);
  10. vader van Chanan (1 Kron. 11:43);
  11. afstammeling van Simeon-1, vader van Sefatja (1 Kron. 27:16)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Maächa [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-