magied

afbreking: ma·gied [ ? ]
  [uitspraak: mağied] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: me·gi·diem
[uitspraak: məğidiem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'berichter, verteller, prediker';  

 
  1. (rondreizend) prediker;
  2. joods leraar (tweede van drie graden waarvoor examen wordt gedaan, naast darsjan en moree)
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-