Magog

Magog (1)

afbreking: Ma·gog [ ? ]
  [uitspraak: Mağoğ] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. kleinzoon van Noach-1, zoon van Jafet (Gen. 10:2, 1 Kron. 1:5);
  2. uit hem voortgekomen volk en gebied van dat volk, waarin Gog-1 oppervorst is; vijandige macht die Israël-3 vanuit het noorden bedreigt (Ez. 38:2, 39:6)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Magog(2) [ ? ]

Magog (2)

afbreking: Ma·gog [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. kleinzoon van Noach-1, zoon van Jafet (Gen. 10:2, 1 Kron. 1:5);
  2. uit hem voortgekomen volk en gebied van dat volk, waarin Gog-1 oppervorst is; vijandige macht die Israël-3 vanuit het noorden bedreigt (Ez. 38:2, 39:6)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Magog [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-