Malkia

Malkia (1)

afbreking: Mal·kia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn koning is de Heer';  

 
  1. vader van Paschur (Jer. 21:1, 38:1);
  2. zoon van Paros, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:25);
  3. andere zoon van Paros, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:25);
  4. zoon van Charim, getrouwd met een uitheemse vrouw; mogelijk identiek met Malkia-5 (Ezra 10:31);
  5. zoon van Charim; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1; mogelijk identiek met Malkia-4 (Neh. 3:11);
  6. zoon van Rechab-3; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:14);
  7. goudsmid; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:31);
  8. een van degenen die naast Ezra-1 staan bij het voorlezen van de Tora (Neh. 8:4);
  9. een van de priesters die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:4);
  10. voorvader van Adaja, die hoort tot de nieuwe inwoners van Jeruzalem-1 (Neh. 11:12, 1 Kron. 9:12);
  11. een van degenen die betrokken zijn bij de inwijding van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 12:42);
  12. afstammeling van Levi-1, voorvader van Asaf-2 (1 Kron. 6:25);
  13. hoofd van de vijfde afdeling priesters (1 Kron. 24:9)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Malkia(2) [ ? ]
zie ook: Malkiahoe  

Malkia (2)

afbreking: Mal·kia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn koning is de Heer';  

 
  1. vader van Paschur (Jer. 21:1, 38:1);
  2. zoon van Paros, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:25);
  3. andere zoon van Paros, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:25);
  4. zoon van Charim, getrouwd met een uitheemse vrouw; mogelijk identiek met Malkia-5 (Ezra 10:31);
  5. zoon van Charim; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1; mogelijk identiek met Malkia-4 (Neh. 3:11);
  6. zoon van Rechab-3; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:14);
  7. goudsmid; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:31);
  8. een van degenen die naast Ezra(2)-1 staan bij het voorlezen van de Tora (Neh. 8:4);
  9. een van de priesters die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:4);
  10. voorvader van Adaja, die hoort tot de nieuwe inwoners van Jeruzalem-1 (Neh. 11:12, 1 Kron. 9:12);
  11. een van degenen die betrokken zijn bij de inwijding van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 12:42);
  12. afstammeling van Levi-1, voorvader van Asaf(2)-2 (1 Kron. 6:25);
  13. hoofd van de vijfde afdeling priesters (1 Kron. 24:9)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Malkia [ ? ]
zie ook: Malkiahu, Malkia  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-