mamzer

afbreking: mam·zer [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: mam·zei·rem, mam·zers  
herkomst: Jiddisj [ ? ]

 
  1. kind uit niet-geoorloofde relatie;
  2. kwajongen (ook in positieve zin)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws: mamzeer [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-