Mara

Mara (1)

afbreking: Ma·ra [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: volgens Ex. 15:23 en Rt. 1:20 'bitter';  

 
  1. halteplaats van de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän (5x: Ex. 15:23 +, Num. 33:8 +);
  2. vrouw van Elimelech, moeder van Machlon en Kiljon, schoonmoeder van Ruth-1; eigenlijke naam: Noömi-1 (Rt. 1:20)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Mara(2) [ ? ]

Mara (2)

afbreking: Ma·ra [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens Ex. 15:23 en Rt. 1:20 'bitter';  

 
  1. halteplaats van de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän (5x: Ex. 15:23 +, Num. 33:8 +);
  2. vrouw van Elimelech, moeder van Machlon en Kiljon, schoonmoeder van Ruth-1; eigenlijke naam: Noömi-1 (Rt. 1:20)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Mara [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-