masora

afbreking: ma·so·ra, ma·so·ra [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ma·so·rot  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'overlevering';  

  benaming van een geheel van aantekeningen waarmee verschillende generaties joodse schriftgeleerden in de periode 500-1000 zorgden voor een nauwkeurige vastlegging van de overgeleverde tekst van de Tenach (OT); deze aantekeningen betreffen enerzijds de tekst zelf, anderzijds de uitspraak en voordracht daarvan [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-