menachem av

afbreking: me·na·chem av [ ? ]
  [uitspraak: mənàchem] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  titel van de maand av(2), vanaf de tiende van deze maand; vijfde maand van het joodse jaar, in juli-augustus, elfde maand bij telling vanaf Rosj Hasjana [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-