Merari

Merari (1)

afbreking: Me·ra·ri [ ? ]
  [uitspraak: Mərari] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  jongste van de drie zonen van Levi-1, vader van Machli en Musi, stamvader van het Levietengeslacht van de Merarieten (40x: Gen. 46:11 +, Ex. 6:16 +, Num. 3:17 +, Joz. 21:7 +, Ezra 8:19, 1 Kron. 5:27 +, 2 Kron. 29:12 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Merari(2) [ ? ]

Merari (2)

afbreking: Me·ra·ri [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  jongste van de drie zonen van Levi-1, vader van Machli en Musi, stamvader van het Levietengeslacht van de Merarieten (40x: Gen. 46:11 +, Ex. 6:16 +, Num. 3:17 +, Joz. 21:7 +, Ezra 8:19, 1 Kron. 5:27 +, 2 Kron. 29:12 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Merari [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-