Mesullam

afbreking: Me·sul·lam [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'vergoeding, vervanging';  

 
  1. grootvader van Safan-1, die schrijver is bij koning Josia van Juda-4, vader van Asaljahu (2 Kon. 22:3);
  2. een van degenen die met Ezra(2)-1 terugkeren uit de ballingschap in Babel-2, afgezant naar Iddo; mogelijk identiek met Mesullam-7 (Ezra 8:16);
  3. een van degenen die zich verzetten tegen de ontbinding van huwelijken met uitheemse vrouwen (Ezra 10:15);
  4. zoon van Bani, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:29);
  5. zoon van Berechja; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:4, 3:30, 6:18);
  6. zoon van Besodja; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:6);
  7. een van degenen die naast Ezra(2)-1 staan bij het voorlezen van de Tora; mogelijk identiek met Mesullam-2 (Neh. 8:4);
  8. een van de priesters die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:8);
  9. een van de hoofden van het volk die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:21);
  10. afstammeling van Benjamin-1, vader van Sallu, die hoort tot de nieuwe inwoners van Jeruzalem-1 (Neh. 11:7, 1 Kron. 9:7);
  11. nakomeling van Aäron-1, zoon van de priester Sadok-1, voorvader van Ezra(2)-1; andere naam: Sallum-7 (Neh. 11:11, 1 Kron. 9:11);
  12. hoofd van de priesterfamilie Ezra(2)-2 in de tijd van hogepriester Jojakim (Neh. 12:13);
  13. hoofd van de priesterfamilie Ginneton in de tijd van hogepriester Jojakim (Neh. 12:16);
  14. een van degenen die met Zerubbabel terugkeren uit de ballingschap in Babel-2, poortwachter in Jeruzalem-1; ander naam: Sallum-6 (Neh. 12:25);
  15. lid van een koor dat de stadsmuur van Jeruzalem-1 inwijdt (Neh. 12:33);
  16. nakomeling van David-1, zoon van Zerubbabel (1 Kron. 3:19);
  17. afstammeling van Gad-1 (1 Kron. 5:13);
  18. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Elpaäl (1 Kron. 8:17);
  19. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Sefatja, een van de nieuwe inwoners van Jeruzalem-1 (1 Kron. 9:8);
  20. zoon van Mesillemit, voorvader van de priester Masai (1 Kron. 9:12);
  21. Leviet-2 in de tijd van koning Josia van Juda-4, nakomeling van Kehat(2) (2 Kron. 34:12)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Mesjoelam [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-