mezomme

afbreking: me·zom·me [ ? ]
lidwoord: de  
herkomst: Jiddisj [ ? ]

 
  1. geld;
  2. in 'mezomme bensjen': gezamenlijk uitspreken van het dankgebed na de maaltijd, waartoe minstens drie godsdienstig meerderjarige, mannelijke personen bij elkaar moeten zijn
[ ? ]

zie ook: zimoen  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-