Mirjam

Mirjam (1)

afbreking: Mir·jam [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. dochter van Amram-1 en Jochebed, zuster van Mozes-1 en Aäron-1, profetes (14x: Ex. 15:20, 15:21, Num. 12:1 +, Deut. 24:9, Mi. 6:4, 1 Kron. 5:29);
  2. afstammeling van Juda-1, dochter van Mered en Bitja (1 Kron. 4:17);
  3. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Mirjam(2) [ ? ]

Mirjam (2)

afbreking: Mir·jam [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. dochter van Amram(2)-1 en Jochebed, zuster van Mozes-1 en Aäron-1, profetes (14x: Ex. 15:20, 15:21, Num. 12:1 +, Deut. 24:9, Mi. 6:4, 1 Kron. 5:29);
  2. afstammeling van Juda-1, dochter van Mered en Bitja (1 Kron. 4:17);
  3. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Mirjam [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-