Misjaëel

afbreking: Mi·sja·ëel [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'wie is als/behoort tot God?';  

 
  1. afstammeling van Levi-1, zoon van Uzziël (Ex. 6:22, Lev. 10:4);
  2. afstammeling van Juda-1, een van de drie metgezellen van Daniël-2; andere naam: Mesach (5x: Dan. 1:7 +);
  3. een van degenen die naast Ezra-1 staan bij het voorlezen van de Tora (Neh. 8:4)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Misaël [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-